Zeelandbrug

Het is alweer maanden geleden dat we in het water lagen. We hebben er zin in. Tegelijk ben ik benieuwd hoeveel last de schroeven en plaat in mijn schouder gaan geven. Het is heerlijk weer, maar bij de Zeelandbrug voelt het toch wat schraal in de koude wind tijdens het omkleden. Met zeven auto’s is het rustig. Het omkleden gaat tergend moeizaam. Ik merk dat ik nog behoorlijk wat kracht mis om alles aan te krijgen. Het einde van de winter is natuurlijk ook niet het ideale moment om weer te starten. Als uiteindelijk alles aan is, lopen we naar de duiktrap. De druk op mijn schouder is duidelijk aanwezig. Niet fijn, maar wel te doen. Eenmaal in het water is het meteen weer genieten. Het duiken gaat soepel en we duiken richting het oosten, tot een meter of twaalf. Overal leven: zee-abrikozen, zuurstokzakpijpjes, zeespinnetjes, kleine jonge sponsjes en natuurlijk nog veel meer. Mariëlle spot een galathea — die hebben we echt al jaren niet gezien. Even later kruipt er ook nog een flinke satijnslak voorbij. Tevens twee zeedonderpadden, waarvan er eentje duidelijk een boel eitjes bij zich droeg. Prachtig allemaal, maar lastig vast te leggen met de 45 mm macro. Op dit soort momenten mis ik toch die oude 14-42 zoomlens. We scharrelen rustig verder. Na een half uur wisselen we van camera, zoals we dat altijd doen. Ik begin meteen met een botervisje dat me guitig aankijkt vanuit zijn oester. Daarna keren we om en gaan we langzaam wat ondieper. Het rif zit vol met verse hydroïdpoliepen, echt prachtig spul om te zien wapperen, en je verwacht hier zeker slakjes in, maar ik kan er geen één vinden. We passeren verse sepiastokken en ik ga nog even richting de pijler, terwijl Mariëlle na zo’n 50 minuten aangeeft dat ze eruit gaat. Prima. Terwijl ik een foto probeer te maken, word ik aangetikt door een andere duiker. Of het goed gaat? Zeker. Oké-teken en weer door. Hij heeft alleen wel wat stof veroorzaakt, dus de foto laat ik maar zitten. Bij de pijler is het mooi: anemonen en bloeiende tubularia. Ik richt me op een flamenco-platworm, maar daar is die duiker weer. Hij heeft nog 60 bar laat hij zien. Prima, denk ik, de trap is dichtbij. Even later: 55 bar en weer een tik. Ik merk dat ik er een beetje klaar mee ben. Hij tikt op zijn manometer en vraagt hoeveel ik heb. Nog zestig bar, geef ik aan. Hij knikt en maakt een duidelijk gebaar: we gaan naar de trap. Blijkbaar heb ik spontaan een nieuwe buddy toegewezen gekregen, omdat Mariëlle al weg is en solo duiken niet de bedoeling is. Ik moet er wel om lachen. Vooruit dan maar. Bij de trap komen we boven. Terwijl ik mijn vinnen uittrek, duikt mijn ‘reservebuddy’ ook op. Enthousiast begint hij te praten. Ik doe mijn bril af, kijk hem aan en reageer — waarop hij zegt: “Ohhh, je bent mijn buddy niet.” Ik moet lachen. Waar zijn echte buddy dan is gebleven? Geen idee. Het lijkt me bijna onmogelijk om deze buddy te lozen. Even later, bij de auto, zien we zijn buddy alsnog aan komen lopen 🙂 Dan ontdek ik dat ik weer zeiknat ben. Ik had al zo’n vermoeden onder water. Er zit ergens een lekkage, waarschijnlijk bij de rits of het borstventiel. Daar moet ik komende week maar eens induiken. Maar goed: we hebben weer heerlijk gedoken. En het ging allemaal best goed. Dat is uiteindelijk het belangrijkste.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *