Als ik bij de Zeelandbrug parkeer, is het weer duidelijk minder dan twee weken geleden. De lucht is grauwer, de wind staat stevig op de kant en het water oogt onrustig. Er zijn weer genoeg bekende gezichten, zoals zo vaak op vrijdag. Ik kleed me vlot om en merk al snel dat mijn schouder iets beter aanvoelt dan de vorige keer. Dat geeft vertrouwen. Bij de trap laten we ons achter elkaar in het water glijden. Het zicht is in eerste instantie ronduit matig, maar zodra ik tussen de pijlers over de mosselen zwem, klaart het verrassend op. Ineens heb ik een meter of twee zicht — genoeg om ontspannen te kunnen duiken. Ik dwaal wat rond tussen de 10 en 14 meter en laat me meevoeren door wat ik tegenkom. De hydroïden staan er mooi bij en de bloeiende zeecypres wiegt rustig heen en weer in de stroming. Overal zie ik zeespinnetjes kruipen. Eén exemplaar zit zelfs keurig op de eitjes van een Japanse oesterboorder. Zo’n tafereeltje dat ik meteen denk: hier zit een foto in. Na de fotoshoot blijft het zoeken naar slakjes, maar hoe goed ik ook kijk, ik kan er geen één vinden. Wel kom ik meerdere schone, nieuwe sepiastokken tegen. Verder (fluwelen) zwemkrabben, donderpad, botervis, grondels en weer eens een nemertijn, die een kokerworm te grazen neemt. Ik realiseer me dat mijn droogpak het goed houdt: geen spoor van nattigheid. De reparatie is dus geslaagd. Bij een pijler probeer ik nog wat sierlijke anemonen vast te leggen. Hoe ondieper ik kom, hoe slechter het zicht wordt. Wanneer ik de pijlers weer achter me laat, verandert het water in een bruine waas. Het zicht verdwijnt bijna volledig en de deining laat zich steeds duidelijker voelen. Tijd om op te stijgen, voordat ik met mijn neus op de rotsen zit. Boven wacht een verrassing. De golven zijn in het afgelopen uur flink toegenomen. Waar het eerder nog prima te doen was, oogt het nu ineens een stuk venijniger. Ik zie andere duikers worstelen bij de trap, sommigen kruipen al vallend op handen en knieën naar boven. Gelukkig staat Mirjam klaar. Ze steekt meteen een helpende hand toe en neemt mijn camera over. Met deze golven is het een enorme opluchting om mijn handen vrij te hebben, zeker met een schouder die nog niet helemaal meewerkt. Wat is het juiste moment om eruit te komen? Na een paar stevige golven is er even rust. Mirjam geeft een seintje en ik klauter snel het water uit. Even later, na een kort praatje, loop ik tevreden terug naar de auto. Op de parkeerplaats blijkt dat diverse duikers toch verrast waren hoe snel de omstandigheden konden verslechteren.
Na een kop thee en twee boterhammen besluit ik door te rijden naar de Nieuwe Kerkweg. Even de luwte opzoeken. Ik vul mijn fles bij tot 200 bar en binnen twee uur lig ik alweer in het water. Het verschil is enorm. Het water is rustiger en het zicht is heerlijk. Een meter of vijf, schat ik. Dit is ontspannen duiken. Ik zet koers naar het noorden, op zoek naar de rosse sterslakken en hun eieren. Jaren geleden vonden we ze pas op grotere diepte, tussen de 20 en 25 meter. Maar al rond de tien meter heb ik geluk. Perfect, want solo blijf ik liever binnen de 14 à 15 meter en niet te ver uit de kant. De eierlinten vallen meteen op als lange, sierlijke slierten die tegen het rif geplakt zitten. Prachtig om te zien. In eerste instantie moet ik nog even zoeken naar de slakken zelf, maar iets verderop verandert dat beeld. Daar krioelt het van de Rosse sterslakken, soms in groepjes die je als kleine orgies kunt omschrijven. Met de 30 mm-lens op mijn camera heb ik net genoeg speling om het geheel vast te leggen. Iets verderop zie ik ook solitaire slakken rondkruipen, duidelijk hier nog niet bezig met de voortplanting. Na een minuut of 45 vind ik het mooi geweest en zet ik koers terug naar het zuiden en de oever. Onderweg kom ik nog flink wat grote Noordzeekrabben tegen op de onderwaterheuvel. Naarmate ik dichter bij de kant kom, duiken er steeds meer buddyparen op. Ik maak nog even twee korte stops bij de twee dahlia’s op het talud en zwem daarna recht op de kant af. De uitstap is hier, zeker vergeleken met vanochtend, appeltje-eitje.







